Zie ook:
Bosboom deed inspiratie op voor deze kunstwerken tijdens een reis door het noordoosten van Brabant in 1850. Hij bezocht toen onder meer de kloosters van Boxmeer en Megen. De oorspronkelijke architectuur en het kloosterleven maakten grote indruk op de schilder, die vooral bekend is door zijn kerkinterieurs. In de kloosters schilderde hij onder meer keukens, pandgangen en trappenhuizen.
Bosboom wilde in zijn werken vooral licht en sfeer oproepen en streefde niet zozeer naar nauwkeurige weergave van zijn onderwerp. Van de orgelspelende monnik maakte hij verschillende versies. De eerste uit 1850 wordt tot de romantische school gerekend. De laatste versie uit 1881 is impressionistisch. Het schilderij uit 1871 dat het museum verworven heeft, markeert een overgangsfase. Bosboom heeft daar erg mee geworsteld. Hij begint er al in 1867 aan. Hij onderzoekt in dit werk het spel tussen licht en donker en dat kost hem veel hoofdbrekens, volgens Van Liebergen. Hij wordt er zelfs depressief van. Zijn vrouw, de romanschrijfster Geertruida Bosboom-Toussaint, getuigt daarvan in een brief aan Potgieter: "Ik houd voor zeker, dat hij beter zal zijn als die leelijke nonnen en monniken maar weer uit ons huis zijn". Volgens Van Liebergen betekent het schilderij een mooie aanvulling op een eerder verworven paneel van zijn hand, dat twee zingende nonnen voorstelt.
Door de aankoop kunnen zingende nonnen en de zingende pater weer bij elkaar getoond worden. Daardoor wordt ook de werkwijze van Bosboom meer inzichtelijk.
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



















