De bakkerij bij het Groot Ziekengasthuis aan de Gasthuisstraat. Uiterst links Jan Beset. De foto is tijdens of net na de oorlog gemaakt. foto's Toos Beset
Het was oorlog en ook Toos, die in de wasserij werkte, beleefde de meest angstige tijd uit haar leven. Maar in de persoon van Jan hield ze er in ieder geval iets moois aan over. Toos van der Wielen werd vlak na de oorlog Toos Beset en daarna moeder van vijf kinderen. 62 jaar waren ze getrouwd, tot Jan in 2009 overleed. Toos heeft het er nog moeilijk mee.
Behalve Jan heeft Toos, Osse van geboorte, net als velen weinig positieve herinneringen aan de oorlog. Een 'vreselijke tijd' vond ze het, waarin ze als tiener veel dingen zag die ze nooit meer vergeet, ook niet nu ze 86 is.
De duim die ze vond tussen de stapels vuile was, om maar wat te noemen. Of de niet aflatende stroom lijken die ze moest wassen. Soms zo veel – "Er was een keer een vrachtwagen vol. Een verschrikkelijk gezicht." – dat er geen plek meer was in het lijkenhuisje.
De NSB'ers. "De Duitsers waren geen slechte mensen, de landverraders wel. Daar moest je echt voor uitkijken."
Niet dat de Duitsers nou zulke lieverdjes waren. Toen het gevaar dreigde dat de Engelsen zouden binnenvallen, roofden ze de keuken leeg en vluchtten met alles wat ze maar konden gebruiken. Ook alle vuile was werd ingeladen. Personeel en patiënten in ontreddering achterlatend. Terwijl het in het Groot Ziekengasthuis in de oorlogsjaren al niet makkelijk was. Vaak was er geen stroom of stromend water. Ook waren er geen luiers voor de zuigelingenafdeling. Beset: "Dat was heel erg. Ik ging samen met een ander meisje met een grote teil naar de Dieze om daar de luiers te wassen. Het water was heel vuil, maar het moest."
Als 17-jarige kwam ze als groentje bij de nonnen in het GZG terecht, samen met haar oudere zus. Thuis hadden ze 'geen eten en geen schoenen' meer, nadat hun moeder op 37-jarige leeftijd was verongelukt. Pa kon twee eters minder aan tafel wel gebruiken.
Het regime van de zusters die in het ziekenhuis de scepter zwaaiden was niet altijd prettig. Iedere ochtend in alle vroegte naar de kapel en verder lange dagen hard werken, zes dagen in de week. De beloning: 17,50 gulden per maand.
Soms kreeg ze op de werkvloer een kusje van haar lover. Als de zusters het maar niet zagen: "Dat was een doodzonde."
Ondanks het rode kruis op het dak werd ook het GZG een aantal keer gebombardeerd. Beset herinnert zich de akelige taferelen: granaatscherven, gewonden, in paniek vluchten naar de kelders.
Maar momenten van plezier waren er zeker ook. Toos weet het nog goed, hoe ze voor het eerst met Jan ging dansen in het casino. Een 'heel mooie' jurk en schoenen had ze aan en de zorgen werden even aan de kant gezet.
Haar zus - na de oorlog koos zij voor het klooster - die tijdens de vrije uurtjes op zondagmiddag achter de piano kroop en de rest vermaakte. Na het werk gezellig naar de Vughtse kermis, ook al moest dat dan te voet.
En onderling had ze met de meisjes van de wasserij na een moeilijk begin ook 'erg veel schik'.
Nog regelmatig denkt Toos Beset terug aan de tijd die haar leven voor een groot deel bepaalde. En de tijd erna, want in de jaren van de wederopbouw was het voor een opgroeiend Bosch gezinnetje 'één groot getob'. Heel hard werken, kleine huisjes, weinig luxe.
Wat heeft ze het nu toch goed in haar gezellige woning aan de Marco Polostraat in Deuteren.
Maar oh, wat mist ze haar man Jan, de laatste bakker van het Groot Ziekengasthuis.
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties














