Het altijd goedbezochte theaterfestival Boulevard biedt aanstormend talent volop ontwikkelingskansen. Foto Marc Bolsius
De Verkadefabriek, het paradepaardje van cultureel Den Bosch, gedijt in de oude koekjesfabriek. Foto Maikel Samuels
Den Bosch heeft zichzelf in tien jaar uit het culturele moeras getrokken. Toch is de stad er nog niet. De kans is groot dat ze nu te ver voor de muziek uitloopt. Den Bosch bruist. In de stad die zich opmaakt voor het Jeroen Boschjaar in 2016 is altijd wat te doen.
Zie ook:
De ambities reiken haast tot in de hemel. Waar heel het land kreunt en kraakt onder de cultuurbezuinigingen maakt Den Bosch plannen voor een nieuwe schouwburg en gaat fier voorop als kartrekker van Brabant Culturele Hoofdstad 2018. Hoe anders was dat in de voorbije eeuw. Den Bosch werd links en rechts ingehaald door andere grote steden in Brabant. De stad slaagde er in tegenstelling tot Tilburg en Eindhoven bijvoorbeeld niet in een concertzaal te bouwen en zag Het Brabants Orkest met lede ogen naar Eindhoven vertrekken. En V2, het podium voor kunstzinnige toepassingen van nieuwe media ging voorgoed naar Rotterdam. Het lukte de stad niet een voedingsbodem te bieden aan de noodzakelijke vernieuwing in de kunst. Altijd blijven teren op historie, gezelligheid en carnaval bleek niet genoeg voor een groeizaam cultuurklimaat.
De Brabantse hoofdstad ging over de tong als de stad van je moeder of je oma, die jongeren en kunstenaars aan het begin van hun loopbaan bitter weinig te bieden had.
In 2000 verscheen een tamelijk vernietigend rapport over de cultuur in Den Bosch van Arjo Klamer en Peter-Wim Zuidhof van het Erasmus Centrum voor Kunst- en Cultuurwetenschappen. Zij vonden Den Bosch traditioneel en verstard. Genoegzaamheid, teleurstelling, culturele bloedarmoede, luidde de diagnose. Het ontbrak aan broedplaatsen voor jonge kunstenaars en vooral aan daadkracht. Den Bosch heeft het zich blijkbaar aangetrokken. Het lijkt wel of de stad zichzelf als een eigentijdse baron Von Münchhausen aan de haren uit het moeras heeft getrokken. Wie de verworvenheden van de afgelopen tien jaar telt, komt vingers te kort. Belangrijkste wapenfeit is wel de verbouwing van de wafeltjesfabriek van Verkade tot een broedplaats en trefpunt voor kunst. De Verkadefabriek werd een cultuurcentrum dat een voorbeeld is voor het hele land.
In de oude ruimte van Theater Bis werd het Koningstheater een landelijk gewaardeerd kleinkunstpodium. En in het kielzog hiervan ontstond de Koningstheaterakademie, die al veel cabarettalent opleverde. Ook de tijdelijke vestiging van het stedelijk museum SM's in het Paleiskwartier bleek een goede greep. En in het in aanbouw zijnde museumkwartier biedt samenwerking nieuwe kansen voor Noordbrabants Museum en SM's.
Muziekschool De Muzerije heeft een prachtig verbouwde ruimte in gebruik genomen en het Centrum voor Beeldende Kunst (CBK) gedijt in de Willem II fabriek. De stad kreeg er festivals bij die jonger publiek trekken, zoals Solos, Hip Hop in Duketown en DB Surround en literaire festivals als Geen Daden maar Woorden en Onbederf'lijk Vers. En kunstenaars trokken met het Makershuis de wijken in.
Arjo Klamer, hoogleraar in de economie van de kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam maakte onlangs nog een rondgang door de stad.
"Ik zag een enorme verandering. Er is sprake van nieuw elan, er wordt flink geïnvesteerd in cultuur en er zijn nieuwe plekken, zoals de Verkadefabriek en het Museumkwartier. En de stad zit vol kleine pareltjes, zoals de Toonzaal en het Koningstheater. Er zijn grote slagen gemaakt. Den Bosch is een stad waar iets valt te beleven. De plannen voor het Boschjaar en Brabant Culturele hoofdstad brengen reuring in de stad, al zijn ze niet vrij van risico's", meent Klamer. De energie en kosten die ermee gepaard gaan, kunnen ook ten koste gaan van het gewone kunstaanbod. Waar het volgens Klamer om gaat is of die twee jaren blijvend bijdragen aan het cultureel kapitaal van de stad of dat er na 2018 een terugslag volgt. Succes is in zijn ogen niet gegarandeerd.
Het Jeroen Bosch jaar ziet er volgens Klamer veelbelovend uit, maar hij verbaast zich ook over de keuze van de schilder tot cultureel boegbeeld van de stad. Het is wel pijnlijk dat alles aan Bosch wordt opgehangen terwijl de stad niks van hem heeft, behalve namaak. Alles moet van buiten komen en dat is geen sterktebod. Het is de vraag of straks de baten opwegen tegen de kosten." Een vraag die evenzeer opgaat voor Brabant Culturele Hoofdstad. "De meeste culturele hoofdsteden zijn er niet beter van geworden. De kans op mislukking is groot. In Rotterdam is er bijvoorbeeld weinig blijvends van over gebleven. De viering daar is aan veel mensen voorbij gegaan. Al doet een enkele culturele hoofdstad het wel goed", zegt Klamer.
Ook oud-directeur Alex de Vries van de Bossche kunstacademie ziet veel verbeteringen. Het is goed dat het CBK er gekomen is, zegt hij, al betreurt hij nog steeds het opheffen van kunstenaarsinititatief Artis, dat in de stad een hoog niveau bereikte, maar zich onvoldoende gesteund wist. De Vries denkt dat er veel kan in de stad al zou er wel wat meer moeten worden gedaan voor jonge talenten in de kunst, die goedkope ruimte nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen. "Zij moeten kunnen rommelen en fouten kunnen maken."
De Vries vindt dat het SM's zich in het Paleiskwartier goed ontwikkeld heeft juist omdat de plek geen museale beperking kent. Van belang vindt De Vries de groei van Theaterfestival Boulevard, dat veel doet voor talentontwikkeling. Hij prijst de culturele samenwerking in de stad die de laatste jaren enorm is gegroeid. Maar dat Productiehuis Brabant dreigt te verdwijnen noemt hij een enorm verlies voor jonge kunstenaars.
Arthur Oostvogel, oud-directeur van het Internationaal Vocalisten Concours - nu directeur is van schouwburg De Harmonie in Leeuwarden - vindt dat Den Bosch veel aan cultuur gewonnen heeft. "Misschien is het Jeroen Bosch jaar wel over de top, maar er gebeurt tenminste iets. Dat getuigt van lef", zegt hij. Als oud-bestuurder van Theater Bis is hij verheugd over het succes van de Verkadefabriek. "Vooral het Productiehuis bereikt veel met weinig middelen. Onbegrijpelijk dat dit dreigt te verdwijnen."
Theatermaker Romijn Conen van het Bossche Makershuis waarschuwt voor al te grote zelfgenoegzaamheid en spoort aan tot meer cultureel ondernemerschap. Conen vraagt zich af of de stad wel zoveel geld in gebouwen moet steken. Zo wijst hij erop dat de verbouwde Muzerije een blok aan het been is voor de muziekschool. Ook Conen pleit voor meer betaalbare ruimten voor kunstenaars aan de randen van de stad.
"De oefenruimten in Pand 18 zijn mooi, maar staan doorgaans leeg, omdat ze voor jonge kunstenaars niet te betalen zijn."
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.






Sorteer reacties












