De Dakota's werpen de para's van Djokja af. Illustratie Stone ;De Dakota's werpen de para's van Djokja af. Illustratie Stone
De jonge Van Groeninghen in Indië op een foto uit zijn privé-collectie. ;De jonge Van Groeninghen in Indië op een foto uit zijn privé-collectie.
Ruud van Groeninghen foto Sandra Peerenboom ;Ruud van Groeninghen foto Sandra Peerenboom
Het was een bliksemsnelle actie. Die 19e december 1948 sprong de eerste
parachutist om kwart voor zeven in de ochtend. Daarna nog een, weer een, de
volgende. Een half uur later hadden zo'n 250 Nederlandse manschappen Magoewo
bezet, het vliegveld acht kilometer ten oosten van Djokjakarta.
"Tsja, wij wachtten niet. Als we een vijandelijke militair met
een geweer zagen lopen dan schoten we", zegt Ruud van Groeninghen.
Onder zijn kameraden waren na de luchtlanding enkele lichtgewonden. Aan de
andere kant lagen er zo'n 170 doden.
Komende woensdag komen de
para's van het eerste uur bijeen op het landgoed Bronbeek in Arnhem. De
81-jarige Van Groeninghen is initiatiefnemer en organisator van de reünie,
zestig jaar na datum. Hij verwacht meer dan honderd oude getrouwen te zien.
Zelf vocht de Bosschenaar niet alleen in Indië, maar ook in Korea
(1950-'54). Hij diende later bovendien in de West, in Suriname. Een paar
jaar geleden sprong de veteraan voor het laatst. Hij zou nóg wel eens
willen.
De luchtlanding van 1948 maakte deel uit van Operatie
Kraai, de tweede zogenoemde politionele actie. Eerst moest het vliegveld
worden bezet, vervolgens Djokjakarta, de vijandelijke hoofdstad. Dat
gebeurde met ijlings ingevlogen troepen nog diezelfde middag. Voor vijven
hadden commando's ook de republikeinse leider Soekarno en diens regering
gearresteerd.
Het was daar boven Java de eerste luchtlanding in de
Nederlandse krijgsgeschiedenis. Op 1 maart 1946 had de generale staf van het
KNIL, het Koninklijke Nederlands-Indisch Leger, de parachutistenopleiding
opgericht. Die kreeg een plaats in Hollandia op Nieuw-Guinea.
Ruud
van Groeninghen zat in die tijd bij de verbindingstroepen. Hij had naar
eigen zeggen een saai baantje in het hoofdkwartier van de bevelhebber,
generaal Spoor. "Ik bracht gecodeerde berichten naar boven en dacht:
hiervoor ben ik toch niet naar Indië gegaan." Toen de mededeling
over de nieuwe parachutistenschool verscheen, rook hij het avontuur.
Eenmaal op Nieuw-Guinea bleek het stevig aanpoten. "We kregen daar een
commandotraining. Zwaar man, veel zwaarder dan ik had verwacht." Hij
verkeerde in het gezelschap van 124 anderen. Parachutes waren nog in
bestelling. Van Groeninghen werd tussen de bedrijven door opgeleid als
sluipschutter.
Later, op Java, kon hij de techniek van silent
killing in praktijk brengen. Hij ging met zijn eenheid achter bendes aan,
die de lokale bevolking afpersten. "Het waren jonge jongens, die zich
schuil hielden in de bossen. Ze zetten vaak een wachtpost uit. Maar die zat,
omdat het stikte van de muskieten, dikwijls bij een vuurtje. Het was voor
ons niet zo moeilijk om zo'n wacht te naderen en hem kennis te laten maken
met de andere kant van het leven."
Dat waren confrontaties met
bandieten. Het gevecht met het republikeinse leger van Soekarno en zijn
opperbevelhebber Nasoetion, het Tentara Nasional Indonesia (TNI), zou nog
volgen. "Het was zuiveren, zuiveren, zuiveren." Met doden aan
beide kanten, merendeels in de vijandelijke rijen. Van Groeninghen praat er
na zoveel jaar met grote nuchterheid over. "Van politieke zaken wisten
we niet zoveel. We lazen geen kranten. We waren daar om te vechten. De
doden? Ja natuurlijk was dat rottig."
In 1947 kwamen vanuit
Engeland eindelijk de parachutes. Vanaf Andir, het vliegveld van Bandoeng
waar al wel 'droog' was geoefend, stegen ze in een Dakota op voor een
proefvlucht. Want wie van hen had er toen überhaupt al eens in een vliegtuig
gezeten? "De deur eruit, en dan moesten we in de opening gaan staan.
Een been naar buiten steken om te voelen. Zo ging dat."
Een
paar dagen later volgde de eerste sprong, na zeven sprongen de begeerde
wing, de onderscheiding voor de paratroepen.
Om de ervaring vast
te houden, moesten ze elke maand minstens één keer springen. Het vechtwerk
op de grond, de zuivering, bleef echter de voornaamste taak. Tot december
1948.
De rode baretten waren intussen aangevuld met een tweede
compagnie uit de rijen van de commando's. Zo'n 250 mannen voelden de
spanning, die nog eens toenam toen ze de 17e hoorden dat de luchtlanding van
de volgende dag met 24 uur was uitgesteld.
Zondag de 19e december,
het was nog maar net middernacht geweest, stegen na elkaar 16 Dakota's op,
jachtvliegtuigen en bommenwerpers eveneens. Enkele uren later werden Van
Groeninghen en de anderen vanaf een hoogte van nog geen tweehonderd meter
gedropt. Binnen de minuut zouden ze de grond van Magoewo onder hun voeten
voelen.
Van de zeshonderd bewakers van de luchthaven sloeg een
groot deel op de vlucht. Een paar honderd man bleef over. Of er op hem
geschoten is? Ruud van Groeninghen weet het niet. Het knalde overal. "
Toen ik sprong, zag ik onze jagers, de Mustangs en KittyHawks, de randen van
het vliegveld onder vuur nemen."
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.






Sorteer reacties














