Strafrechters worden met regelmaat geconfronteerd met lastige bewijsproblemen, die hun kennis te boven gaan - denk bijvoorbeeld aan de borstharen van Marco Kroon. Rechters zijn evenals advocaten en officieren van justitie als jurist opgeleid, en missen in het algemeen kennis op andere terreinen.
Dat betekent dat zij zich door specialisten moeten laten voorlichten, bijvoorbeeld door medici en toxicologen (Lucia de Berk!), DNA-deskundigen, psychologen en psychiaters en ICT-specialisten. Soms schrijft de wet voor dat expertise moet worden ingeschakeld, zoals in het geval van dronken rijden, het DNA-onderzoek in strafzaken en wanneer mogelijk tbs met verpleging wordt opgelegd. Vaak hangt het af van het concrete geval. Nederland beschikt over een belangrijk instituut (het nationaal forensisch instituut, NFI) dat vele disciplines herbergt ten behoeve van de justitiële waarheidsvinding. Het instituut, vroeger het Gerechtelijk Laboratorium genaamd, valt onder het ministerie van veiligheid en justitie. Hoewel het niet meer het monopolie heeft op de expertises die het in huis heeft (waaronder het DNA-onderzoek, vezelonderzoek, toxicologie en medische kwesties) is het nog steeds een dominante speler in het justitiële veld.
Door de intense publieke aandacht voor zaken waar justitie en rechter hebben misgetast, zoals de zaak-Lucia de Berk en de zaak-Ina Post is ook de aandacht voor technisch bewijs toegenomen. In de zaak Lucia de Berk ging het bij voorbeeld om de vraag of één van de overlijdensgevallen in het kinderziekenhuis waar Lucia werkte (en dienst had op het tijdstip van overlijden) viel toe schrijven aan een overdosis digoxine, en daardoor aan een niet-natuurlijke doodsoorzaak. De door de rechter gehoorde deskundigen kwamen tot uiteenlopende oordelen. Uiteindelijk kwam het tot een herziening op grond van de rapportage van weer andere deskundigen, en tot vrijspraak door een ander gerechtshof.
De grote vraag is hoe de rechter moet omgaan met wat wel wordt aangeduid als de 'battle of experts': met conflicterende meningen van deskundigen. De strafrechter moet bij twijfel vrijspreken, wat betekent dat wanneer de deskundigen hetzelfde niveau hebben, blijkend uit onder meer hun reputatie, publicaties in toptijdschriften zoals Nature en The Lancet, ligt vrijspraak voor de hand wanneer het overig bewijs schaars is.
Lucia de Berk heeft steeds gezwegen en de rechter moest gebruik maken van riskante redeneringen, wel omschreven als 'schakelbewijs', en dagboekaantekeningen die voor verschillende uitleg vatbaar waren. Wanneer dan het technisch bewijs wegvalt kan alleen maar worden vrijgesproken. Aan de andere kant kan technisch bewijs wel heel overtuigend zijn. Neem bijvoorbeeld een DNA-onderzoek waarbij een match tussen een volledig profiel, afkomstig van de plaats delict, en een in de databank van het NFI opgenomen profiel wordt vastgesteld. Er is dan op zijn minst sprake van een sterke aanwijzing dat de verdachte om wiens profiel het gaat, op de plaats delict is geweest. Toch moet ook in een dergelijk geval niet te gemakkelijk worden aangenomen dat er voldoende bewijs is.
De aanwezigheid van biologische sporen afkomstig van de verdachte op de plaats delict zijn aangetroffen kan ook heel andere oorzaken hebben. Maar in ieder geval kan worden geconstateerd dat door de snelle technologische ontwikkelingen de rol van technisch bewijs groter wordt. Daarom is het onontkoombaar dat juristen die werkzaam zijn in de strafrechtspleging zich oriënteren op de inbreng die experts (kunnen) hebben, en de portee van die inbreng kunnen duiden. Aan de andere kant wordt ook steeds meer gevergd van de deskundigen: zij moeten in voor leken begrijpelijke bewoordingen kunnen overbrengen wat hun wetenschap ze vertelt over de voorgelegde problemen. Zij moeten onder omstandigheden ook hun rug recht houden en zich niet laten verleiden tot stellige uitspraken die zij op grond van de stand van de wetenschappen eigenlijk niet kunnen verantwoorden, terwijl de rechter, officier of advocaat nu juist zo dolgraag een bepaald antwoord zou willen horen. Deskundigen in strafzaken steken ook hun nek uit: wanneer de rechter met hun opinie meegaat en veroordeelt, terwijl later blijkt dat die opinie niet deugt, lijd je als deskundige, zeker als het gaat om grote zaken zoals Lucia de Berk, behoorlijke imagoschade.
De wetgever heeft geprobeerd om wat meer waarborgen te scheppen voor een behoorlijk niveau van forensische deskundigheid. Sinds vorig jaar is de Wet deskundigen in strafzaken van kracht, die onder meer voorziet in een registratiesysteem. Het komt erop neer dat justitie in beginsel alleen geregistreerde deskundigen die aan bepaalde eisen voldoen, mag inschakelen. De implementatie van deze wet verloopt moeizaam, hoe sympathiek de gedachte erachter ook is.
Helemaal sluitend zal de regeling nooit kunnen zijn, al was het maar omdat de wetenschap een open en dynamisch proces is, en omdat soms op buitenlandse experts een beroep moet worden gedaan, zoals ook in de zaak -Lucia de Berk is gebeurd.
Het is hoe dan ook noodzakelijk dat de rechtspraak de komende jaren (nog) meer investeert in het zo goed mogelijk inschakelen van goede deskundigen en een goed begrip van de door die deskundige geleverde rapporten, terwijl forensische deskundigen op hun beurt moeten investeren in optimale dienstverlening ten behoeve van de waarheidsvinding in het strafproces.
Theo de Roos is hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Tilburg (Tilburg University).
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.
Niet beschikbaar!


Sorteer reacties















