Briefkaart van Kasteel Heeswijk, van begin 20e eeuw. Rechts de gouverneurstoren. 'Met al zijn amuses uit eigen kasteelkeuken leent dit kasteel zich voor een smakelijk Eftelingrecept.'
Open Monumentendag heeft komend weekeinde als thema 'De smaak van de 19e eeuw'. Waarom is er 'smaak' aan toegevoegd? Wordt eigenlijk ook niet 'wansmaak' bedoeld die lang kleefde aan de 19e eeuw met kerken in neostijlen en kastelen vol 'romantische dwaasheden'? Welke smaken zullen we kunnen proeven op Monumentendag? 'Helaas kent de gemeente Bernheze weinig 19e-eeuwse architectuur, zoals fabrieken, watertorens, gemalen of stationsgebouwen.
Het thema biedt echter nog meer mogelijkheden. Denk bijvoorbeeld aan smaak in de vorm van eten.' Zo schrijft de gemeente Bernheze die met Monumentenhuis Brabant en lokale organisaties Monumentendag organiseert. Naast serieuze programma's van de heemkundekringen en opengestelde panden presenteert Bernheze streekgerechten, waarbij oude kost als bloedworst, balkenbrij en zure zult wel afgeserveerd zullen worden. Op het Heeswijks kasteel, waar de smaak van de 19e eeuw van af druipt, draait het om presentaties van het gilde. De plaatselijke neogotische parochiekerken missen we. Ook missen we archeologie, terwijl Waterschap Aa en Maas bij het kasteel net is gestart met de operatie 'Dynamisch Beekdal'. Maar het waterschap is met archeologie nog niet zover. We mogen hopen dat de eigen heemkundekring onder streng toezicht van een professionele archeoloog er in het Aadal uithaalt wat er in zit en volgend jaar trots (ook 19e-eeuwse?) sporen en spullen zal tonen.
De bedoeling van Open Monumentendag is om de publieke belangstelling voor monumenten en het draagvlak voor monumentenzorg (waaronder ook archeologie) te vergroten. Prima om boodschap en thema te verpakken in een gezellig programma zoals in Bernheze, maar krijgen die zelf wel voldoende aandacht?
Bij actueel monumentenbeleid gaan zorg en beleving hand in hand, wordt uitgegaan van een integrale kijk op erfgoed en gefocust op context en historische gelaagdheid. Je zou dus juist nu nieuwe recepten mogen verwachten om monumenten spannend en van binnenuit te laten leven. De versnipperde Brabantse monumentenwereld houdt echter van traditionele (herhalings-)recepten, nieuwe recepten zullen we niet veel tegenkomen. Het bouwen in de 19e eeuw zat vol creatieve ideeën, maar creatieve ideeën in ons monumentenland om erfgoed te koesteren zijn zeldzaam. Belevingsconcepten moeten we buiten de monumentensector zoeken, bij Schatten van Brabant bijvoorbeeld, of in de (kritische) designwereld.
Van 'erfgoed' hebben we de mond vol, het dreigt echter een modewoord te worden dat los komt te staan van zijn betekenis voor onze leefomgeving. Om erfgoed beter te leren kennen en koesteren zouden we ons meer moeten bezighouden met de biografie van een plek, met topobiografie. Dan komen we alle bestaande of verdwenen lagen en verhalen tegen. Dan wordt erfgoed zelf een lekkernij. Een scan van Kasteel Heeswijk, vanaf de tijd (1835) dat gouverneur Andreas van den Bogaerde van Terbrugge het kocht, toont ons allerlei smaken van de 19e eeuw tot vandaag. Hij bouwde een neogotische vleugel en een hoge toren waar nooit eerder een toren stond. Buitenmuren liet hij pleisteren en opsieren. Zijn zonen Louis en Alberic bouwden serieus verder aan hun 'Eftelingkasteel': een watertoren met wenteltrap, wapenzaal in de vorm van een kapel, open galerij met weermuur, bruggen met leeuwen-, wacht- en klokkentorens, muren met schietgaten die deels op hun eigen kasteel waren gericht en een indrukwekkende IJzertoren met 'nijdige leeuwen' en kanonnen als 'gapende vuurmonden'. Rond 1960 wilde baron Willem van het 'Eftelingkasteel' een 'Loirekasteel' maken. Alleen al de topobiografie van de gouverneurstoren geeft een kostelijk beeld van het kasteelleven in de 19e eeuw. Van beneden naar boven: de dienstingang met stoofpannen; het kamertje van Jacoba, de dienstbode met wie jonker Alberic jaren tegen de zin van kerk en adel ongehuwd samenwoonde; het Chinese kamertje van de blinde jonker Louis; de knechtenkamer waar de kasteelsmid sliep die na de dood van jonker Alberic trouwde met de veel oudere Jacoba; daarboven de uilenzolder. Beneden is nu de bezoekersuitgang; op het kamertje van Jacoba staat foltertuig; het Chinese kamertje, rond 1975 gesloopt, wacht op reconstructie; de knechtenkamer is nu rommelkamer, de uilenzolder een kerkhof van vliegen. Met al zijn amuses uit eigen kasteelkeuken leent zo'n kasteel zich voor een smakelijk Eftelingrecept.
Een kasteel vergelijken met de Efteling, is dat niet smakeloos? Voor een adellijk slot dat zich omvormt tot volkskasteel en zijn kostelijk intern geheugen wil laten beleven is dat zo gek nog niet. De Efteling met zijn '19e-eeuwse' kastelen en andere grijze gebouwen die inmiddels ook monumentale waarde hebben en als ensemble goed onderhouden al jaren creatief, innovatief en met smaak hun eigen sprookjesverhalen (ook erfgoed) verbeelden, had goed kunnen meedoen met Monumentendag. Zelfs een joint venture van Brabants Landschap en De Efteling, een huwelijk tussen natuur en cultuur, zorg en beleving, zou voor collectief erfgoed als Kasteel Heeswijk met het oog op een vitale toekomst interessant zijn. Dat mag van mij op en na Open Monumentendag 2010 de boodschap zijn voor een kostelijk kasteel vol 'romantische dwaasheden'.
Rien de Visser is als zoon van de slotbewaarder geboren en getogen op Kasteel Heeswijk. Hij is adviseur cultureel erfgoed.
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties













