Honger mag dus niet, onbeperkt voeden mag ook niet? Wat doen we dan met dieren die te dik worden als zij onbeperkt kunnen eten? Of anders gevraagd: wat betekent honger voor het welzijn van een dier? Biologisch gezien heeft dierenwelzijn veel te maken met de 'natuur van het beest': de eigenschappen van een dier en zijn levensomstandigheden moeten op elkaar afgestemd zijn. De natuurlijke eigenschappen van dieren hebben zich over millennia heen ontwikkeld onder invloed van zeer complexe en veranderende omgevingsfactoren. Negatieve omgevingsfactoren horen net zo bij de natuur als positieve omgevingsfactoren. Het hebben van honger is op zich natuurlijk en betekent dus niet automatisch een welzijnsaantasting. Sterker nog: het is een noodzakelijke reactie op bepaalde prikkels en zorgt ervoor dat dieren foerageer- en voedselopnamegedrag vertonen. Problemen ontstaan pas als het dier noch voedselopname, noch foerageergedrag kan vertonen of wanneer de gezondheid niet meer gewaarborgd is. Maar bij vleeskippen en fokzeugen zijn de natuurlijke eigenschappen zodanig veranderd, dat passende levensomstandigheden zeer zorgvuldig gecreëerd zullen moeten worden. Biologische feiten rond dieren worden echter altijd door de bril van menselijke normen en waarden gefilterd. Daarbij blijken de menselijke - en uiteindelijk maatschappelijke - opvattingen over dierenwelzijn niet alleen cultuur-, tijd-, plaats- en contextgebonden te zijn, maar dat een en dezelfde persoon in verschillende omstandigheden verschillende opvattingen over dieren kan hanteren. De waarde van het welzijn van bijvoorbeeld een rat als huisdier wordt door mensen compleet anders beoordeeld dan dat van een rat als proefdier of een rat als plaagdier.
Het dilemma bij het oordelen over dierenwelzijn komt mede voort uit de onduidelijkheid over wat wij mensen onder dierenwelzijn verstaan. Dierenwelzijn is geen puur wetenschappelijk concept, maar de weerslag van een maatschappelijk waardesysteem waarmee mensen uiting geven aan hun zorg over hoe er met dieren wordt omgegaan. In de discussie over dierenwelzijn spelen dus altijd twee elementen mee: de biologie van het dier en de waarden en normen van de mens. Maar deze twee elementen sluiten niet altijd op elkaar aan. De perceptie van een gezelschapsrat en een plaagrat over zijn eigen welzijn verschilt niet, de menselijke waarden en normen hierover wel. Ook de recente discussie rond megastallen maakt het belang van onze eigen waarden duidelijk; zélfs als wetenschappelijk aangetoond wordt dat het welzijn van dieren in megastallen gewaarborgd kan worden, blijven veel mensen nog tegen megastallen. Er bestaan twee grote uitdagingen om de discussie over dierenwelzijn verder te brengen. Ten eerste hebben wij meer kennis (=biologische feiten) nodig over hoe het dier zelf zijn levensomstandigheden beleeft. Ten tweede moeten wij als dierhouders en consumenten nadenken hoe wij onze eigen belangen willen afwegen tegen de belangen van dieren (=een waarden- en normendiscussie). Een bedreiging van de volksgezondheid bijvoorbeeld weegt voor het grootste deel van onze maatschappij zwaarder dan het leven van een groot aantal dieren. Daarentegen weegt de bontproductie in Nederland niet meer op tegen de consequenties voor het leven van nertsen. En de ontwikkeling van cosmetica weegt al lang niet meer op tegen het leven van proefdieren. Maar hoe zwaar weegt de productie van goedkope vleesproducten in de maatschappelijke afweging? Het is weinig zinvol om een losse discussie over een hongerdieet bij kiloknallers te voeren als we het onderliggende, fundamentele vraagstuk niet durven te beantwoorden: wat verstaan wij onder het verantwoord houden van dieren? En wat hebben wij er - ook financieel - voor over om dierenwelzijn te realiseren?
Frauke Ohl is hoogleraar dierwelzijn & proefdierkunde aan de Universiteit Utrecht.
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties













