Een eenzame demonstrant protesteert op het Binnenhof tegen toetreding van de PVV tot een minderheidskabinet. foto Phil Nijhuis/ANP
CDA en VVD verkennen in overleg met de PVV een minderheidscoalitie. Daarbij wordt verwezen naar de Deense situatie, waar minderheidskabinetten al jaren functioneren.
Dat laatste klopt. Maar dit model is in Denemarken niet louter een oplossing voor politieke instabiliteit en verwarring, zoals Nederland momenteel kenmerken, maar juist een uitdrukking van stabiliteit en brede consensus.
Bij de Deense verkiezingen in 1973 viel de steun voor de traditioneel dominerende partijen, de Sociaal-democratische, de Sociaal-liberale, de Liberale en de Conservatieve partijen, terug van 84 tot 58 procent. Deze partijen kregen gezelschap van nieuwe dan wel opnieuw opgeleefde partijen, waardoor er sindsdien altijd meer dan acht partijen in de 179 zetels tellende 'Folketing' (het parlement) vertegenwoordigd zijn. Deze omslag viel samen met de oliecrisis en luidde een tijdperk in van relatief zwakke sociaal-democratische minderheidsregeringen. Zo om het jaar werden er wel nieuwe verkiezingen gehouden en de Deense kiezer ging blijvend zweven. Tussen de 20 en 30 procent van de kiezers stemt elke keer op een andere partij. Tegelijkertijd bleef de verhouding tussen de linker- en rechterzijden in het parlement behoorlijk stabiel, omdat de kiezer vooral binnen deze blokken van voorkeur wisselde. De centrumpartijen, in het bijzonder de sociaal-liberalen, hadden daardoor steeds een sleutelpositie.
Tussen 1982 en 1993, toen de Deense economie en arbeidsmarkt het zwaar hadden, was er een rechtse minderheidsregering aan de macht, met aan het hoofd de conservatief Poul Schlüter, met steeds wisselende partners. In 1993 kwam er door steun van de sociaal-liberalen een sociaal-democratisch meerderheidskabinet in het zadel, geleid door Poul Nyrup Rasmussen. Deze regering verloor in 1994 haar meerderheid, maar bleef tot 2001 op het pluche door de vorming van minderheidscoalities met de sociaal-liberalen en de conservatieven. Intussen waren er ter linker- en rechter plaatse ook extremere partijen opgekomen in de vorm van respectievelijk de Eenheidslijst en de Deense Volkspartij. Deze laatste partij, opgericht in 1995, die in een aantal opzichten lijkt op de PVV, boekte een winst van 13 zetels tijdens de verkiezingen van 2001. Die verkiezingen stonden in het teken van de discussie over publieke versus private regulering, fiscalisering versus de verzekeringsgedachte, de Deense positie binnen de EU, veiligheid en de houding ten aanzien van buitenlanders. In 2001 werd de Liberale partij voor het eerst sinds 1924 de grootste partij en verloren de centrumpartijen hun sleutelpositie. Opnieuw werd een minderheidscoalitie gevormd. Nu door de Liberale en de Conservatieve partij, geleid door de liberaal en boerenzoon Anders Fogh Rasmussen en met parlementaire steun van de rechtse Volkspartij.
Deze rechtse coalitie regeert nog steeds. In 2007 werd een verlenging van vier jaar verkregen. In 2009 werd Anders Fogh Rasmussen chef van de NAVO en als minister-president opgevolgd door weer een andere Rasmussen, Lars Loekke. De huidige coalitie van liberalen en conservatieven heeft 65 zetels en wordt in het parlement nog steeds gesteund door de Volkspartij, die 25 zetels bezit. De belangrijkste oppositiepartijen, de sociaal-democraten en de sociaalliberalen, hebben respectievelijk 45 en 9 zetels.
Het is verleidelijk om de Deense politieke historie te zien als het voorland voor de Nederlandse politiek. De huidige coalitie, met steun van uitgesproken rechts, vertoont veel gelijkenis met de variant waarover CDA, VVD en PVV willen onderhandelen. Het is echter riskant om een buitenlands model klakkeloos op Nederland te betrekken, omdat de context vaak heel anders is. Denemarken is een land dat, net als Nederland in het verleden, wordt gekenmerkt door een hoge mate van consensus. De culturele en religieuze verschillen zijn nog kleiner dan in ons land. De vele minderheidsregeringen hebben in de afgelopen decennia niet geleid tot grote koerswijzingen, hooguit tot bijsturing. Het uitgangspunt van een actieve welvaartsstaat, met veel flexibiliteit én zekerheid, grote investeringen in leren, innovatie, wonen en zorg en gefinancierd uit collectieve middelen, bleef onomstreden. Dit geldt ook voor die coalities waarin de
sociaal-democraten ontbraken. Zij konden het regeringswerk als het ware rustig aan anderen overlaten. Pas sinds kort worden als gevolg van de crisis maatregelen overwogen die tot een systeemwijziging zouden kunnen leiden.
Het Deense parlement bestaat maar uit één Kamer, terwijl een Nederlandse minderheidsregering het in de Eerste Kamer nog knap lastig kan krijgen. En tot slot moet worden gewezen op de cruciale rol die het overleg op sectoraal en bedrijfsniveau speelt. Cao's en ondernemingsovereenkomsten zijn in Denemarken belangrijker dan wetgeving. Dat kan ook in een land waar 80% van de werknemers lid is van een vakbond (tegen 24% in Nederland) en waarin dezelfde partijen, werkgevers, vakbondsvertegenwoordigers en lokale overheden, op alle niveaus onderhandelen en voor stabiliteit en continuïteit zorgen.
Al met al is het dus maar de vraag of de voorliggende Nederlandse minderheidscoalitie inderdaad tot politieke stabiliteit zal leiden en of deze politieke noodgreep niet zal resulteren in onevenwichtigheden in onze welvaarts- en rechtsstaat.
Ton Wilthagen is hoogleraar arbeidsmarktbeleid aan de UvT
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.
Niet beschikbaar!

Sorteer reacties















