Het commentaar 'Nationale homorel' in het Brabants Dagblad van 26 februari sluit af met de constatering dat enige zelfreflectie voor openlijk homoseksuele kerkgangers op zijn plaats is: waarom zou je loyaal zijn aan een kerk die je 'het liefst de deur wijst'. Nu is enige (zelf)reflectie uiteraard voor mensen nooit weg.
Maar hier wordt eigenlijk gesuggereerd, dat openlijk homoseksuele kerkgangers daar nooit aan zijn toegekomen en tot nu in vrome onnozelheid hebben gevegeteerd. Dat klopt niet, weet ik toevallig uit eigen ervaring.
Dat de relatie tussen homo's en kerk niet probleemloos is beseffen we niet pas sinds kort. Overigens, nog niet eens zozeer vanwege precies homoseksualiteit. Struikelblok is de kern van de seksuele moraal van de kerk: verantwoord seksueel gedrag is alleen mogelijk in een christelijk huwelijk, in het perspectief van onvoorwaardelijke trouw van de partners en van de vruchtbaarheid van het leven. Vanuit dat criterium vallen niet alleen homo's buiten de boot maar vogels van allerlei pluimage. Momenteel zelfs, lijkt het wel, hele volksstammen. Omdat zij zich willens en wetens niet aan deze strenge kaders houden. Of omdat ze, meer of minder doordacht, andere opvattingen over aard en functie van de seksualiteit huldigen. Daarmee is nog niet gezegd dat die strikte kerkelijke traditie, hoe onpopulair ook, alleen maar onzin is. Maar streng is ze wel. Mogelijk zelfs wereldvreemd.
Maar homo's, zou je kunnen stellen, onderscheiden zich van al die andere dolende schapen omdat ze van nature enkel een smalle keuze hebben tussen seksuele onthouding of overtreding van de katholieke moraal. Dat er juist in de kringen van kerkbetrokken homo's, onder wie theologen en leden van het kerkelijk kader, al veel nagedacht is over de patstelling tussen kerkelijke leer en homoseksuele praktijk wekt dan ook geen verwondering. Zeker toen zo'n vijftig jaar geleden het denken over seksualiteit in het algemeen en homoseksualiteit in het bijzonder, door verschillende impulsen in een stroomversnelling is geraakt. Die brak baan in nieuwe uitgangspunten. Tot dan had men zich, binnen en buiten de kerk, beholpen met de invalshoek van ander seksueel gedrag als afwijking; een moedwillige, dus schuldige inbreuk op een strak, door natuur en geloof gedicteerd schema. Vanuit een ruimer en rijker begrip van natuur en openbaring kregen de zondige afwijkingen van voorheen de trekken van menselijke mogelijkheden, varianten waarin in een fijnzinnig samenspel van natuur en mens nieuwe waarden en morele integriteit reliëf konden krijgen. Met betrekking tot een relativering van de voortplanting als enige of eerste doel van de seksualiteit heeft de kerk deze verandering breed kunnen mee voltrekken. Met betrekking tot homoseksualiteit bleven de verhoudingen meer verdeeld. Dat zegt natuurlijk wel iets.
Maar niet, dat een homo, die niet met de massale horde kerkverlaters mee holt, eigenlijk een zielenpiet en zelfkweller is. Hier is, dunkt mij, toch iets anders doorslaggevend. Ik ben niet katholiek en loyaal met de kerk om als homo bevestigd te worden. Die bevestiging krijg ik tegenwoordig zo overvloedig en geestdriftig, dat ik, met het oog op de houdbaarheid ervan wel eens snak naar een kritisch tegengeluid. Met het oog op de houdbaarheid en verankering van de (zelf)aanvaarding. Want zo vanzelfsprekend is het ook weer niet om te behoren tot een minderheid van maximaal tien procent van de bevolking. Waarom dan wel loyaal gebleven? Omdat ik door kerk en geloof betrokken ben geraakt op een verhaal, dat opgetrokken is uit woorden van eeuwig leven. Op een werkelijkheid van zegen en genade. Inclusief de weerbarstigheden en uitdagingen daarin. Die geven bedding en perspectief aan de liefde die ik vind bij mijn levensgezel en bij andere mensen. Waar zou ik dan anders heen gaan?
Ik heb in de loop der jaren in dit spanningsveld naar eer en geweten eigen beslissingen genomen. En, o wonder, mij is nog nooit de communie geweigerd. Dat risico loop je niet gauw. Als de demonstranten van zondag geduldig de preek hadden afgeluisterd hadden ze die garantie mee de kerk uit kunnen nemen. Als ik mij al ooit onwelkom voelde in de kerk was dat niet vanwege mijn homoseksualiteit.
Rond die seksuele variant bestaan al honderden jaren lang grondige meningsverschillen. Alleen onnadenkende modernisten kunnen de illusie koesteren, dat wij anno 2010 definitief de ideale oplossing hebben bedacht. Al ontken ik niet, dat de ideeën waarmee wij ons nu behelpen veel ruimte bieden om mensen tot hun recht te laten komen. Meer dan de ooit breed gangbare aanpak van verdringing en discriminatie. Maar er blijven nog veel losse eindjes te doordenken over. Simpel ligt de zaak zeker niet. Nooit eigenlijk als het over minderheden gaat en over gevoelige zaken.
Prof. dr. Pieter Anton van Gennip was bijzonder hoogleraar wijsbegeerte van de Radboudstichting aan de Technische Universiteit Delft.
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties













