Het klimaatbeleid staat onder grote druk. Na het fiasco van de internationale conferentie in Kopenhagen in 2009 is er nu twijfel over de rapporten van het VN-klimaatpanel IPCC die aan het beleid ten grondslag liggen.
De gevonden foutjes stellen op zich niet veel voor. Nederland wordt bedreigd door water en of dit nu alleen aan de zee wordt toegeschreven (zoals in het IPCC rapport staat) of deels aan de zee en deels aan de rivieren (zoals daar had moeten staan) verandert aan de conclusies niet veel. Echter, oud-minister Cramer had haar inzet voor Kopenhagen juist ferm verdedigd in de Tweede Kamer met een verwijzing naar de wetenschap en het was begrijpelijk dat ze nu een beroep deed op de wetenschap om geen fouten meer te maken. Velen reageerden dat zoiets niet mogelijk is en dat twijfel en onzekerheden inherent zijn aan wetenschappelijke ontwikkeling. De belangrijkste vraag wordt hier echter niet mee beantwoord. Moet er op dit moment een streng klimaatbeleid gevoerd worden? Het is niet voldoende om je af te vragen of de wetenschap nu wel of niet kan bewijzen dat het klimaat verandert. Ook als dat kon, moet je je nog altijd de vraag stellen of de kosten van klimaatbeleid nu opwegen tegen de verwachte baten in de toekomst, als een verandering voorkomen wordt. Deze vraag heeft de regering van Engeland enige tijd geleden neergelegd bij een onderzoeksgroep onder leiding van Nicholas Stern wat geresulteerd heeft in de bekende Stern Review. Dit rapport kwam tot de conclusie dat de netto baten het hoogst waren als er nu flink werd ingegrepen. Ook deze wetenschappelijke analyse lag meteen onder vuur en de discussies bij de presentaties waren over het algemeen sterk verhit. Ik heb Nicholas Stern zijn rapport in de loop der tijd drie keer zien presenteren. De eerste keer spitste de discussie zich toe op de manier waarop kosten en baten berekend waren. Monetaire waardering van milieubaten is nu eenmaal een zeer lastige materie. Toch was de conclusie dat er weliswaar veel te verbeteren viel maar dat de waarden in het rapport 'state-of-the-art' waren. De tweede keer werd de sfeer echter hardnekkiger en spitste de discussie zich toe op de manier waarop de toekomstige baten in verband werden gebracht met de kosten nu. Deze discussie is eveneens lastig, met tal van economische en ethische argumenten, maar belangrijk omdat de conclusie van het rapport omklapt bij andere aannames op dit punt. Dit keer was er geen conclusie. De derde keer had Stern zijn presentatie volledig veranderd. Hij sprak een hoge Chinese delegatie toe die naar het Zweedse platteland was gekomen om in een ongedwongen sfeer met een aantal wetenschappers over de problematiek van gedachten te wisselen. Hij zei eerst dat het conceptueel belangrijk is vast te stellen dat er een zogeheten kantelpunt is: als de concentratie van broeikasgassen een bepaalde waarde overschrijdt zullen de veranderingen op gang komen, versneld plaatsvinden, en niet of nauwelijks te herstellen zijn. Zijn karakterisering was dat Europa dan min of meer in een moeras verandert. De betrokken wetenschappers weten niet precies bij welke waarde dat gebeurt en ook niet wat de veranderingen precies zijn, maar ze kunnen daar wel inschattingen voor geven. Conclusie was dat een eenmalige verlaging van 1 procent van het Bruto Nationaal Product (BNP) nu (als gevolg van streng klimaatbeleid) de kans op het passeren van een kantelpunt fors verlaagt. In deze presentatie van het onderzoek worden ook de onzekerheden expliciet gemaakt maar kan de politiek nog steeds kiezen. De vraag wordt simpelweg: nemen we het risico of betalen we een premie van 1 procent om de kans op grote schade met een fors percentage te verlagen? Ik zou het wel weten.
Aart de Zeeuw is hoogleraar milieueconomie (Universiteit van Tilburg). Het complete stuk? Zie www.mejudice.nl . Het klimaatbeleid staat onder grote druk. Na het fiasco van de internationale conferentie in Kopenhagen in 2009 is er nu twijfel over de rapporten van het VN-klimaatpanel IPCC die aan het beleid ten grondslag liggen. De gevonden foutjes stellen op zich niet veel voor. Nederland wordt bedreigd door water en of dit nu alleen aan de zee wordt toegeschreven (zoals in het IPCC rapport staat) of deels aan de zee en deels aan de rivieren (zoals daar had moeten staan) verandert aan de conclusies niet veel. Echter, oud-minister Cramer had haar inzet voor Kopenhagen juist ferm verdedigd in de Tweede Kamer met een verwijzing naar de wetenschap en het was begrijpelijk dat ze nu een beroep deed op de wetenschap om geen fouten meer te maken. Velen reageerden dat zoiets niet mogelijk is en dat twijfel en onzekerheden inherent zijn aan wetenschappelijke ontwikkeling. De belangrijkste vraag wordt hier echter niet mee beantwoord. Moet er op dit moment een streng klimaatbeleid gevoerd worden? Het is niet voldoende om je af te vragen of de wetenschap nu wel of niet kan bewijzen dat het klimaat verandert. Ook als dat kon, moet je je nog altijd de vraag stellen of de kosten van klimaatbeleid nu opwegen tegen de verwachte baten in de toekomst, als een verandering voorkomen wordt. Deze vraag heeft de regering van Engeland enige tijd geleden neergelegd bij een onderzoeksgroep onder leiding van Nicholas Stern wat geresulteerd heeft in de bekende Stern Review. Dit rapport kwam tot de conclusie dat de netto baten het hoogst waren als er nu flink werd ingegrepen. Ook deze wetenschappelijke analyse lag meteen onder vuur en de discussies bij de presentaties waren over het algemeen sterk verhit. Ik heb Nicholas Stern zijn rapport in de loop der tijd drie keer zien presenteren. De eerste keer spitste de discussie zich toe op de manier waarop kosten en baten berekend waren. Monetaire waardering van milieubaten is nu eenmaal een zeer lastige materie. Toch was de conclusie dat er weliswaar veel te verbeteren viel maar dat de waarden in het rapport 'state-of-the-art' waren. De tweede keer werd de sfeer echter hardnekkiger en spitste de discussie zich toe op de manier waarop de toekomstige baten in verband werden gebracht met de kosten nu. Deze discussie is eveneens lastig, met tal van economische en ethische argumenten, maar belangrijk omdat de conclusie van het rapport omklapt bij andere aannames op dit punt. Dit keer was er geen conclusie. De derde keer had Stern zijn presentatie volledig veranderd. Hij sprak een hoge Chinese delegatie toe die naar het Zweedse platteland was gekomen om in een ongedwongen sfeer met een aantal wetenschappers over de problematiek van gedachten te wisselen. Hij zei eerst dat het conceptueel belangrijk is vast te stellen dat er een zogeheten kantelpunt is: als de concentratie van broeikasgassen een bepaalde waarde overschrijdt zullen de veranderingen op gang komen, versneld plaatsvinden, en niet of nauwelijks te herstellen zijn. Zijn karakterisering was dat Europa dan min of meer in een moeras verandert. De betrokken wetenschappers weten niet precies bij welke waarde dat gebeurt en ook niet wat de veranderingen precies zijn, maar ze kunnen daar wel inschattingen voor geven. Conclusie was dat een eenmalige verlaging van 1 procent van het Bruto Nationaal Product (BNP) nu (als gevolg van streng klimaatbeleid) de kans op het passeren van een kantelpunt fors verlaagt. In deze presentatie van het onderzoek worden ook de onzekerheden expliciet gemaakt maar kan de politiek nog steeds kiezen. De vraag wordt simpelweg: nemen we het risico of betalen we een premie van 1 procent om de kans op grote schade met een fors percentage te verlagen? Ik zou het wel weten.
Aart de Zeeuw is hoogleraar milieueconomie (Universiteit van Tilburg). Het complete stuk? Zie www.mejudice.nl .
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties













