Enkele duizenden mensen hebben het afgelopen jaar in fora gediscussieerd over de toekomst van de veehouderij.
Er zijn maar weinig sectoren waar zoveel maatschappelijke belangstelling voor is. Dat zie ik als een positief teken, maar dat brengt ook een extra verantwoordelijkheid met zich mee voor de veehouderij. Er wordt kritisch naar ons gekeken of hoe wij de beoogde verduurzaming realiseren. Uit die maatschappelijke dialoog van oud-minister Alders concludeer ik dat niet de schaalgrootte, maar de mogelijke effecten voor de volksgezondheid en het welzijn van de dieren de belangrijkste thema's zijn. Dat is voor mij geen nieuws, maar de conclusie van Alders valt de critici van de Nederlandse veehouderij tegen.
Verduurzaming van de veehouderij is bittere noodzaak om als sector wereldwijd toonaangevend te blijven en om als ondernemer überhaupt een goed perspectief te hebben. In mijn optiek moet de politiek daarom het ondernemerschap en de drive van veehouders niet blokkeren met symboolregelgeving, maar dat juist stimuleren om wereldwijde voorsprong te houden.
Alleen door veehouders de mogelijkheden te geven tot bedrijfsontwikkeling, komen de vernieuwing en de verduurzaming echt op gang. De veehouderij kan dan op eigen kracht de maatschappelijke vraagstukken van milieu, klimaat, schaarse grondstoffen, gesloten kringlopen en de voedselvoorziening oplossen.
Politici die menen dat door centraal regels te stellen aan de schaalgrootte van bedrijven de gewenste verduurzaming tot stand komt, maken een grote denkfout. Wil ik dan de schaalgrootte van bedrijven volledig vrij laten? Ben ik dan voorstander van megabedrijven? Neen. In mijn visie is er geen blauwdruk voor de omvang van een moderne, duurzame veehouderij. De maat van een bedrijf wordt niet bepaald door Den Haag, maar door wat lokaal past. Dat betekent dus dat niet alles kan op elke locatie.
Welke schaal dan wel past, hangt van twee factoren af: de specifieke gebiedskenmerken en de sociale binding van de ondernemer met zijn omgeving. Past de beoogde schaalgrootte in het gebied en is er lokaal draagvlak voor bedrijfsontwikkeling, dan staat een gemeentebestuur niets in de weg de vergunning te verlenen. Andersom geldt dat uiteraard ook.
De afweging over de omvang van een bedrijf hoort niet op rijksniveau, maar lokaal te worden gemaakt. Gemeenten kunnen aan bedrijfsontwikkeling kwaliteitseisen stellen en criteria voor duurzaamheid opnemen in het bestemmingsplan. En uiteraard nemen gemeentebesturen de mogelijke gezondheidseffecten voor omwonenden mee. Mijn stelling is dat veehouders hun eigen toekomst moeten verdienen door nieuwe stallen te bouwen die kwaliteit uitstralen en landschappelijk zijn aangepast aan de karakteristieken van de omgeving waar het bedrijf staat.
Daarom vind ik dat de Tweede Kamer vandaag tijdens het debat over de toekomst van de veehouderij vertrouwen moet hebben in het ondernemerschap van veehouders en de nieuwste ontwikkelingen moet ondersteunen.
Siem Jan Schenk is bestuurder bij LTO Nederland.
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties















