Kranten hebben het niet gemakkelijk - en regionale kranten al helemaal niet. De een doet het beter dan de ander, maar allemaal hebben ze last van een zeker functieverlies. Mensen hebben het druk, kunnen op allerlei andere manieren aan informatie komen en meestal ook nog goedkoper.
Bovendien identificeren mensen zich vaak niet eens zozeer met hun eigen regio als wel met hun lifestyle genoten en die hoeven helemaal niet in dezelfde stad te wonen. Een MTV-puber uit Den Bosch heeft al internettend misschien meer gemeen met haar chat-partner in Groningen dan met haar buurjongen.
In het verleden liepen journalisten van regionale kranten ook niet altijd voorop om de burgers in de regio bij de les te halen. Er zat veel routine in de politieverslaggeving, het volgen van gemeenteraden en ander bestuurlijk gerief en ongerief. Journalistiek heeft nog wel eens de neiging meer hiërarchie in een samenleving te veronderstellen dan er feitelijk aanwezig is.
Je kunt dus gerust kritisch naar regionale kranten kijken. En je voortdurend blijven afvragen of ze wel voldoende voor en met de mensen van de regio het maatschappelijke platform op orde houden voor debat, informatie en communicatie dat nodig is om een samenleving te laten functioneren.
Maar dit alles neemt ondertussen niet weg dat er voor deze maatschappelijke functie van de regionale krant nog altijd geen alternatief bestaat. Wat er verder bestaat aan platforms - van internet tot huis-aan-huis-blad - is versnipperd, bereikt alleen maar een ‘eigen kring’ en biedt (nog?) geen podium voor het democratische gesprek onder betrokken burgers. Je moet dus, zolang er geen alternatief is, zuinig zijn op een regionale krant. Want het gaat hier primair om een product met een publieke functie.
Een groot deel van de regionale kranten in Nederland is sinds enige tijd in Britse handen. Dat hoeft geen ramp te zijn, en waarom zou je een buitenlander discrimineren als je er misschien van kunt leren?
Het heeft wel een reusachtig nadeel voor de journalistieke gemeenschap. Want uiteindelijk communiceert ze met eigenaren die hun eigen voortbrengselen niet kunnen lezen. Als hoofdredacteur van een krant (NRC Handelsblad) en later als lid van de raad van bestuur van een uitgeversconcern (PCM Uitgevers) heb ik er ervaring mee opgedaan: eigenaren die ‘s ochtends nooit vrolijk, woedend of chagrijnig worden over wat ze nu weer in een van hun kranten hebben gelezen, die ‘s zaterdags niet bezorgd de advertenties bij de concurrentie zitten te tellen, nooit een vrolijk mailtje sturen wanneer de krant mooi werk heeft afgeleverd. Het is daarmee niet alleen zakelijk - daar is niets mis mee - maar bovenal onthecht. De parameters van de bedrijfsvoering worden die van elke willekeurige fabriek.
De nieuwe eigenaar van de Wegener kranten wenst een stevig rendement. Dat mag en ik weet uit eigen ervaring dat journalisten soms wel wat erg gemakkelijk moord-en-brand schreeuwen wanneer er eens bezuinigd moet worden. De vraag is hoe stevig dat rendement moet zijn en - belangrijker nog - wat ermee gebeurt?
Een rendement moet groot genoeg zijn om conjuncturele tegenslagen op te kunnen vangen. Kranten zijn daar voor hun advertentiedeel buitengewoon gevoelig voor. Het zou ook groot genoeg moeten zijn om te blijven investeren in product ontwikkeling. Zoals gezegd, kranten lijden onder functieverlies en er blijft voortdurend geld nodig om nieuwe concepten uit te proberen, combinaties met internet op nieuwe manieren te beproeven. Dat is duur, want niemand weet precies welke formule zal werken en mislukkingen zijn dus voorgeprogrammeerd.
Voor de krantensector is dit alleen al lastig omdat de branche nauwelijks een research and development- traditie kent. Bij Philips weten ze sinds jaar en dag niet beter dan dat een deel van de winst naar onderzoek en ontwikkeling gaat. En dat van dat geld een deel ook gewoon tot niets leidt. Dat hoort bij dat vak. In de krantensector is dat totaal onbekend: Men kocht van tijd tot tijd -peperdure- persen, zorgde dat die zoveel mogelijk draaiden en golfde verder zo goed mogelijk met de hoog- en de laagconjunctuur mee op en neer.
Een cultuur waarin onderzoek en ontwikkeling centraal staan, vergt nieuwe verhoudingen binnen krantenbedrijven. Vijandigheid tussen uitgevers en journalisten hoort dan een luxe uit het verleden te zijn. Men heeft elkaar dringend nodig, vertrouwen is cruciaal alleen al om bij tegenslag niet terug in de loopgraven te kruipen maar constructief verder te kunnen gaan.
Er is een alternatief, weinig creatief: reduceren van kosten, uniformeren van pagina’s, goedkoop inkopen van redactionele tekst en de winsten aan aandeelhouders uitkeren. In de economische handboeken zijn er handleidingen voor om producten aan het eind van een levenscyclus uit te melken. Het wordt ten onrechte meestal ‘saneren’ genoemd, maar het is niet gezond-maken van een bedrijf, maar uitmelken. Daar kan goed aan worden verdiend.
Maar dient het enig ander doel dan een fraaie return on investment - doorgaans afgedwongen door management dat in de financiële wereld wordt bejubeld wegens koelbloedigheid en doortastendheid en dat na gedane arbeid het veld ook weer ruimt?
Regionale journalistiek, de burger aan het woord laten, op onderzoek uitgaan, zonder rellerigheid of zuurgraad aan de medebewoners laten zien wat er aan de hand is in je woonomgeving - dat alles verdampt wanneer een uitgever kranten alleen als business ziet en niet als platform voor een vibrerende samenleving.
De maatschappelijke eigenaren van een krant zijn de lezers. Die zouden hun dienaren - van Mecom eigenaar David Montgomery tot aan de verslaggever om de hoek - gerust eens ter verantwoording kunnen roepen met de oer-vraag: wat gebeurt hier allemaal?
Ben Knapen, geboren in Kaatsheuvel, is journalist en bijzonder hoogleraar Media en Kwaliteit aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Van 1990 tot 1996 was hij hoofdredacteur van NRC Handelsblad.
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.



Sorteer reacties











