Maar afgelopen zomer werd O'Neill – geboren in Cork uit een Turkse moeder en een Ierse vader, opgegroeid in Den Haag en na een carrière in de Londense advocatuur achter de schrijftafel neergestreken in Manhattan – toch maar mooi uitgeroepen tot de literaire 'koning van New York' en in kritieken vergeleken met iedereen van John Updike tot F. Scott Fitzgerald en Richard Ford.
Een onwaarschijnlijk succesverhaal is het, maar ook een staaltje van zeldzame kosmische rechtvaardigheid. Want het nu vertaalde Laagland is een boek dat bewijst dat afgegraasde weiden als the American Dream en 'de-wereld-na-11-september' nog altijd een buitengewoon origineel verhaal op kunnen leveren. En dat cricket in de juiste handen een sprankelende metafoor is voor de troebele diepten van de Amerikaanse smeltkroes en de heroïsche dromen die daar soms uit opstijgen.
Het begint allemaal als de verteller, de equity analyst voor een Londense handelsbank Hans van den Broek, in het voorjaar van 2006 een telefoontje krijgt van een verslaggeefster van The New York Times die hem vertelt dat het stoffelijk overschot van ene Khamray 'Chuck' Ramkissoon met handboeien om de polsen is teruggevonden in een kanaal in Brooklyn. Of hij daar, als voormalig 'zakenpartner' van het slachtoffer, meer van weet?
Het antwoord is, ook 300 pagina's later, nee. Maar het bericht dwingt hem wel terug te denken aan een periode uit zijn leven die hij hoopte te vergeten en aan die mysterieuze vriend die daar zo'n belangrijke rol in speelde.
Als Hans hem vier jaar daarvoor ontmoet, is net de grond onder zijn zorgeloze bestaan weggeslagen. Na de aangeslagen op de Twin Towers groeiden hij en zijn vrouw Rachel in razend tempo uit elkaar. Zij vertrok met hun zoontje terug naar Engeland – bang voor nieuw geweld, woedend over de wraakzuchtige oorlog in Irak die volgde, hij bleef alleen achter in het Chelsea Hotel, waar ze na de ramp werden ondergebracht. Hij wandelde doelloos door de stad, zoomde 's avonds via de satellietkaarten van Google in op het Londense huis waar zijn vrouw en kind sliepen en had alleen vaag contact met de medebewoners van zijn beroemde gasthuis – in het bijzonder een Turkse travestiet met engelenvleugels op zijn rug.
Kortom: een eenzaam, vervreemdend bestaan.
Tot hij op een dag, op zoek naar afleiding en uit nostalgisch verlangen naar zijn Haagse jeugd waarin hij de sport ook bedreef, besluit zijn cricketbat weer op te pakken, en in de plaatselijke stadsparken terechtkomt in een complete verborgen wereld. Een wereld van (zwarte) immigranten die in hun teamgenoten een surrogaatfamilie vinden. En de wereld van Chuck, een charismatische sjacheraar uit Trinidad die zich met zijn levensmotto 'denk fantastisch' algauw ontwikkelt tot een moderne Gatsby. Zijn droom: een gigantisch stadion bouwen middenin Brooklyn. Omdat het volgens hem een sport is die verbroedert en beschaaft en bovendien, wat iedereen ook beweert, van oudsher een oer-Amerikaans tijdverdrijf is.
Dat het een luchtkasteel zal blijven, weet je natuurlijk vanaf de eerste pagina. Zoals je ook weet dat Hans' huwelijk de transatlantische crisis uiteindelijk overleeft. Maar dat ontneemt Laagland wonderlijk genoeg geen moment zijn stuwende kracht.
O'Neill laat je je met zijn elegant meanderende proza even makkelijk verliezen in poëtische beschrijvingen van het New Yorkse stadsleven als de details van bowler, batsman en de perfecte grasmat. Hij laat je nadenken over hoe mensen geworteld zijn en wat het betekent die wortels te verliezen en laat je vooral net zo gefascineerd raken door Chuck – die charmant is en pompeus, een visionair en een gangster, een vriend en een onbekende – als de verteller.
Gaat zijn verhaal over de teloorgang van een immigrantendroom? Misschien. Maar als roman is dit niettemin het een absolute triomf.
Joseph O'Neill: Laagland. Vertaald door Auke Leistra. De Bezige Bij, 18,90 euro.
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.
















