ZZP-ers hebben het vaak zo druk dat ze nauwelijks tijd hebben voor hun belastingaangifte. Maar wie het goed wil doen, moet niet wachten tot de laatste week van maart. Belastingadviseur Wil Vennix zet op een rijtje waar ze aan moeten denken.
Door Wil Vennix
Wettelijk gezien vormt een zzp’er (een zelfstandige zonder personeel) geen aparte groep en gelden voor hem of haar dezelfde belastingregels als voor ’echte’ ondernemers. Hiermee worden bedrijven bedoeld die over substantiële bedrijfsmiddelen beschikken en vaak ook personeel in dienst hebben. Desondanks zijn er verschillende fiscale aspecten die specifiek voor de zzp’er van belang zijn.
Dat begint al bij het ondernemerschap. Voor wie een pand koopt of huurt en er bijvoorbeeld een winkel of autogarage in begint, staat de fiscale status als ondernemer meestal niet ter discussie. Maar iemand die voornamelijk zijn eigen arbeidskracht aan anderen ter beschikking stelt, lijkt veel op een werknemer. Het cruciale verschil tussen een ondernemer en een werknemer is dat de eerste zelfstandig is en de tweede in een gezagsverhouding staat.
Dan is er nog de tussencategorie van de freelancer, die in het fiscale taalgebruik ’resultaat uit overige werkzaamheden’ geniet. Er zijn diverse criteria om te bepalen in welke categorie iemand valt. Het aantal opdrachtgevers, de mate van zelfstandigheid, de mogelijkheid zich door iemand anders te laten vervangen en het maken van reclame. Het zijn allemaal zaken die de zzp’er zich niet pas bij de aangifte moet realiseren. Want in principe hebben alle feiten zich dan al voorgedaan en is het te laat nog iets te veranderen. Belangrijk is ook een goede vastlegging van feiten en de wijze waarop dat in de jaarstukken en de aangifte wordt gepresenteerd. Je kunt je beter bij de aangifte afvragen hoe je bepaalde zaken kan onderbouwen, dan dat je jaren later een brief of controle van de belastingdienst krijgt.
De aangifte is een prima moment om niet alleen terug te kijken naar het voorbije jaar, maar ook om vooruit te kijken: ben ik als ondernemer goed bezig, doe ik het fiscaal goed, voldoe ik aan de eisen van ondernemerschap? Om optimaal te kunnen profiteren van de fiscale tegemoetkomingen, moeten zzp’ers zich niet alleen kwalificeren als ondernemers, maar ook kunnen aantonen dat ze minimaal 1.225 uur aan hun onderneming besteden. Voor ondernemers met een forse (uren)omzet is dit in de regel geen probleem. De facturen vormen dan in feite de onderbouwing van de gemaakte uren. In andere situaties ontstaat vaak discussie, vooral over de werkzaamheden die niet direct tot omzet leiden. In principe tellen alle uren die zijn besteed aan de onderneming mee. Dus ook het bouwen van een website (als het tenminste geen hobby is), woon-werkverkeer en zakelijke ritten, administratie en acquisitie.
Uren die zijn besteed aan een cursus of opleiding tellen mee als de opleiding is gericht op het verkrijgen of op peil houden van vakbekwaamheid die nodig is voor de bedrijfsuitoefening. Als het gaat om algemene vaardigheden, zoals rijles of een taalcursus, zal het bedrijfsbelang niet direct voorop staan, maar onder omstandigheden kan het verdedigbaar zijn ook die uren mee te tellen. Het is onduidelijk of de tijd dat de ondernemer op klanten zit te wachten meegeteld mag worden. Als belastingadviseur vind ik dat dit kan, mits de ondernemer tijdens het wachten geen andere activiteiten kan ondernemen.
Opmerkelijk was de uitspraak over een marktkoopman die sinds zijn hartoperatie vanuit het café toezicht hield op zijn dochter die achter de kraam stond. In dit specifieke geval mocht hij van de rechter die toezichturen meetellen.
Zzp’ers die naast hun bedrijf een baan hebben, moeten aantonen dat ze meer tijd aan de onderneming besteden dan aan de vaste dienstbetrekking. Bij een parttime baan is dat goed denkbaar, bij een fulltime dienstverband wordt het moeilijk. Voor een startende ondernemer geldt deze eis nog niet, die hoeft ’slechts’ de 1225 uur aan te tonen. In alle gevallen geldt dat de ondernemer desgevraagd het bewijs moet leveren. Het is verstandig daar rekening mee te houden en zo nodig een urenadministratie bij te houden.
Wie slaagt voor de 1225-ureneis, heeft recht op zelfstandigenaftrek en startersaftrek (zie kader op deze pagina). Verder mag een oudedagsreserve worden opgevoerd, een spaarpotje voor het pensioen. Belangrijk is echter dat de oudedagsreserve geen belastingvrij spaarpotje is, maar slechts leidt tot belastinguitstel.<WC>
<WC1>
KADER: FISCUS LET OP WERKRUIMTE EN AUTO De Belastingdienst heeft voor zzp’ers een aantal specifieke risico’s bepaald, waarop extra wordt gecontroleerd. Buiten het ondernemerschap en de 1225-ureneis zijn dit onder meer de werkruimte in de eigen woning en de auto. Deze onderwerpen hebben gemeen dat de aftrek van kosten sterk is beperkt door de wetgever vanwege het (vermeende) privékarakter.
In geval van een koophuis kan de ondernemer ervoor kiezen de hele woning op de balans te zetten. Dan zijn alle kosten aftrekbaar en wordt een bedrag bij het inkomen opgeteld voor vrij wonen. Groot nadeel was altijd dat dan ook de waardestijging van de woning belast werd. In tijden waarin prijzen eerder dalen dan stijgen, kan dat nadeel omslaan in een voordeel. Volgens een uitspraak van december 2009 kan bij een huurwoning het huurrecht zakelijk worden geboekt, met een bijtelling voor het privédeel.
Staat de woning niet op de balans, dan kunnen de kosten alleen worden afgetrokken als de werkruimte een zelfstandig onderdeel van de woning vormt (eigen ingang en eigen sanitair). Daar bovenop gelden nog eisen ten aanzien van het inkomen, zodat maar weinig zzp’ers aan deze aftrek zullen toekomen. Dat is des te vervelender omdat de aftrekbeperking dan ook geldt voor de ’inrichting’ van de werkruimte en dat begrip wordt ruim uitgelegd. Alles wat permanent in de werkruimte aanwezig is, zou er onder vallen, zodat ook bijvoorbeeld de computer niet aftrekbaar is. Onrechtvaardig, maar de wetgever is hier erg streng in.
Iets vergelijkbaars geldt voor de auto. Voor woon-werkverkeer en zakelijke ritten met een privéauto mag maar 19 cent per kilometer worden gerekend. Als de auto op de balans wordt gezet, zijn alle kosten aftrekbaar, maar geldt ook de bijtelling privégebruik van (in beginsel) 25 procent van de cataloguswaarde. Schrale troost is dat de bijtelling nooit méér bedraagt dan de werkelijke kosten in het desbetreffende jaar.
© Brabants Dagblad 2012, op dit artikel rust copyright.


Sorteer reacties















